Hypothyreoïdie opnieuw bezien
Door Robert Linschoten, arts voor Preventieve, Orthomoleculaire- en Natuurgeneeskunde
Het aantal mensen met onvoldoende schildklier activiteit wordt in Nederland momenteel op meer dan 1000.000 geschat (*2). Dat is veel meer dan bijvoorbeeld personen met diabetes. (Dr J. Hertoghe stelt dat 40 % van de W-Europeanen met Hypo te doen krijgt)
De toename van overgewicht (30% in Nederland) is epidemisch en de schildklier speelt daarbij een rol. Overgewicht is een risicofactor voor de gezondheid net zoals ook hypertensie, hypercholesterol-aemie, roken, onvoldoende beweging.
Vooral vrouwen (8 maal vaker dan mannen) hebben last van een te lage schildklierfunctie, mogelijk omdat zij emotioneler zijn en gedurende hun leven meer hormonale schommelingen (zwangerschap en overgang) hebben.
De Schildklier is van grote betekenis voor het regelen en handhaven van het gewicht, omdat door haar geproduceerde hormonen de vet-, koolhydraat- en eiwitstofwisseling en andere klieren van interne secretie beïnvloeden. Verder hebben schildklier hormonen invloed op zuurstof gebruik, warmteproductie en groei. Jonge kinderen, die geen of nauwelijks schildklierfunctie hebben en verder onbehandeld blijven, vertonen dwerggroei en zwakzinnigheid.
De gezonde schildklier maakt de hormonen T4, T3, rT3, T2, T1. De T staat voor een residu uit het aminozuur Tyrosine, dat als bouwsteen dient voor schildklierhormoon. Het cijfer staat voor het aantal Jodium moleculen dat aan het hormoon is gebonden. T4 (een voorhormoon) komt in het bloed het meest voor (als buffervoorraad) en wordt in de weefsels waar het nodig is omgezet in T3. T3 wordt beschouwd als de stof die de eigenlijke functie uitoefent. De in het bloed voorkomende hormonen zijn voor 99% gebonden aan eiwitten (Thyreoglobulinen). Slechts de vrij voorkomende hormonen zijn werkzaam. Het hypofyse hormoon TSH (Thyreoid Stimulerend Hormoon) heeft een interactieve (biofeedback) invloed op de schildklier en stimuleert deze in wisselende mate om hormonen af te geven. De opvatting is dat als de schildklier weinig hormonen afgeeft dan stijgt TSH. Als er voldoende hormonen in het bloed circuleren daalt TSH. De mate waarin dit gebeurt wisselt van persoon tot persoon.
Schildklier- en bijnierhormonen beïnvloeden elkaar. Daarom is het belangrijk ook de bijnieren bij de diagnose te betrekken.
In de medische wereld bestaat de gewoonte om bij klachten en verdenking van een lage schildklierfunctie de TSH en vrije T4(FT4) uit bloedserum te bepalen. Als de TSH hoog is en de FT4 normaal tot laag normaal, dan spreekt men van subklinische hypothyreoïdie. Is de TSH hoog en de FT4 laag dan spreekt men van een te lage schildklierfunctie. Cholesterol en Homocysteine verhoging in plasma kunnen de diagnose ondersteunen: dezen zijn hoog bij lage functie en omgekeerd.
Desondanks wordt het steeds duidelijker dat er een wanverhouding bestaat tussen klachten en bevindingen uit bloedserum.
Vaak zien we dat personen met normale TSH en FT4 toch duidelijke verschijnselen vertonen van een trage schildklierfunctie en daar veel last van hebben. Als zij behandeld worden volgt verbetering.
Het omgekeerde komt ook voor: er zijn abnormale waarden zonder klachten.
Sommige specialisten (*3)gaan uitsluitend af op de klachten en dat vind ik de juiste methode. Ochtendtemperatuur onder 36.7 C (rectaal) en 36.4 C (axillair) zijn volgens Barnes (*3) een betere indicator dan TSH.
Bij de behandeling van lage functie is het vanuit de Natuurgeneeskunde verstandig:
- Allereerst de voeding te veranderen door meer eiwitten (tenminste 100 gram per dag) en zo min mogelijk koolhydraten (geen geraffineerde, dus geen suiker) te eten;
- Een aantal supplementen te geven: 200 mcg Selenomethionine en l-Tyrosine 2 maal 500 mg.
- Vervolgens kan men denken aan (constitutioneel) Homeopathische middelen;
- Ook Orthomoleculaire middelen [Thyrotabs, Biotics] en Ayurveda [Thyobalans, Holisan]
- Yoga oefeningen;
- Verder Acupunctuur en Neuraaltherapie (Procaine in schildklier injecteren).
- Andere Natuurgeneeskundige methoden?
Vaak is toch hormonale behandeling onvermijdelijk. Tot 1987 werd in Nederland veelal Thyranon (Organon) gebruikt, een preparaat van dierlijke afkomst. In dat jaar werd in Nederland een consensus bereikt om Thyranon te vervangen door een synthetisch T4 middel, zoals levothyroxine (thyrax). Onderzoek in 1999(*4) toonde aan dat patiënten, die naast T4 ook T3 (= liothyronine) gebruikten, zich veel beter voelden. T3 is momenteel verkrijgbaar in Nederland en wordt onder de naam Cytomel, Thybon (Duitsland) en Cynomel (Frankrijk) geleverd. Iedere Apotheek kan het in principe leveren!
Over het algemeen vinden artsen dat chemisch T4 beter gestandaardiseerd kan worden en op exacte wijze kan worden gedoseerd. Zij zijn van mening dat de synthetische T4 in het lichaam voldoende wordt omgezet in het actieve T3, dit is evenwel vaak niet het geval!
De consensus in 1987 om Thyranon te vervangen door T4 was een dramatische vergissing voor vele hypothyreoïdie-patiënten. Veel mensen die van het dierlijke op het synthetische middel werden gezet voelden zich daar slecht bij (*5). Deskundige internisten/endocrinologen erkennen dat ten minste 30% (*2) van de patiënten zich niet goed voelen als zij uitsluitend het synthetische T4 (Thyrax) slikken. Dit besluit werd ingegeven door de wet geneesmiddelen voorziening van 1963, die voorschreef dat middelen worden verondersteld de samenstelling exact te vermelden. Dit was m.i. een uiting van onnodig en overdreven perfectionisme. Immers het is onmogelijk te voorspellen welke hoeveelheid van een middel de darmwand passeert en in het lichaam werkzaam is.
Het is plausibel dat behandeling met dierlijk (biologisch) schildklier betere resultaten geeft. Tenslotte bevat het meer hormonen dan alleen T4. De omzetting van T4 in T3 hapert vaak als gevolg van een gebrek aan enzymen en mineralen die dit moeten bewerkstelligen. Ook is de mogelijk minder goede standaardisering een slecht argument, omdat de opname van geneesmiddelen in het algemeen sterk individueel is en van talrijke factoren afhangt!.
Niet zelden horen patiënten van een arts: 'Uw bloedwaarden zijn goed, dus u kunt geen schildklier probleem hebben (of: u is goed ingesteld), ga maar naar een psycholoog'. Gezien de wanverhouding tussen klachten en bloedwaarden is deze opmerking onjuist en frustrerend. Het is verstandig dat patiënten zelf hun dosering mee bepalen.
Een synthetische combinatie T4/T3 (Novothyral van Merck) kan door Apotheken worden afgeleverd. Dierlijk schildklierpoeder met voornamelijk T4 en T3 en in mindere mate T2, T1 en T0 (Armour Thyroid van Forest) is in Nederland te verkrijgen bij de Apotheek Mierlo-Hout te Helmond. Dit middel geldt als een van de besten en wordt in USA en andere [o.a. Europese] landen veel toegepast. Deze middelen zijn in België en Duitsland verkrijgbaar. Nederland heeft invoer van alle dierlijke producten en geneesmiddelen beperkt sinds de MKZ crisis en loopt merkwaardig vooruit op toekomstige restrictieve E.U. regulatie.
Gelukkig is er toch een belangrijke mogelijkheid om dierlijk schildklierpoeder voor te schrijven. In Nederland bestaat namelijk het dierlijke poeder Thyreoidum. Dit poeder wordt gefabriceerd door Biofac (Kastrup Denemarken) van geslachte biggen en wordt in Nederland verhandeld door Bufo en Fagron (Nieuwerkerk a/d IJssel) en is officieel geregistreerd als KNMP 14029634.. . Thyreoidum heeft verhoudingsgewijs iets meer T3 dan Armour thyroid.
Medio 2002 verzocht ik Fagron Thyreoidum tabletten te maken en in de handel te brengen. Dit had veel voeten in de aarde maar het is gelukt. Sinds April 2003 is het door apotheken op Recept te bestellen: Thyreoidum T3/T4 Fagron 5251(T.0180-331133) Het betreft halveerbare tabletten met 9/ 23.7 mcg te vergelijken met 1 grain Armour Thyroid (Forest). Het voordeel is dat iedere apotheek in Nederland deze tabletten kan bestellen en leveren op recept.
Thyreoidum wordt op Recept geleverd door de Natuur Apotheek te Pijnacker:
T 015-3614477
Fax 015-3614455
Conclusies:
-Behandeling uitsluitend op klachten en symptomen is plausibel en succesvol.
-Ochtendtemperatuur is een belangrijk criterium.
-Serumwaarden hebben onvoldoende diagnostische betekenis voor Hypothyreoidie
-Toepassing van dierlijk poeder (Thyreoidum, Armour Thyroid) verdient aanbeveling.
Robert Linschoten bijgewerkt: April 2010
Zie voor verdere informatie het goed gedocumenteerde verslag van het ABNG Symposium 9 Maart 2007, aan te vragen: info@abng.nl of rlin@kpnmail.nl
Literatuur:
(*1) Linschoten, R. Schildklierproblemen; hypothyreoïdie. Tijdsch Integrale Geneeskunde 1994 10/3
(*2) Zie de voortreffelijke infomap van de patiëntenwerkgroep HYPOmaarnietHAPPY.
(*3) Barnes, B.O. Hypothyroidism: the unsuspected illness. Harper & Row 1976 ISBN 0 690 01029
(*4) 'Effects of Thyroxine as Compared with Thyroxine plus Triiodothyronine in Patients with Hypothyrodism', Buneviius R., M.D., Ph.D. Kaanaviius G., M.D., Ph.D., Alinkeviius R., M.D. and Prange A.J., M.D., New England Journal of Medicine, Volume 340:424-429, Number 6, February 11, 1999.
(*5) Doctoraalonderzoek Medisch Biologe Weel K., 'Klachten bij de behandeling van hypothyreoïdie', oktober 1992.
-Escobar-Morreale, HF, Endocrinology 1996 Jun; 137(6):2490-502; Only the combined treatment with thyroxine and triiodothyronine ensures euthyreoidism in all tissues of the thyreoidectomised rat.
-Baisier, WV, Hertoghe J and Eeckhaut W, Journal of Environmental Medicine (2000) 10, 105; Thyreoid Insufficiency. Is TSH measurement the only Diagnostic Tool?
-Durrant-Peatfield, B; The Great Thyreoid Scandal; Barons Down Publishing ISBN 0-9544203-0-6
Voor uitgebreide literatuurlijst, besproken door Lottie van Starkenburg zie: www.hypomaarniethappy.nl
Back to top
Een weergave van 20 jaar ervaring met behandeling van patiënten met Hypothyreoidie
Congres MBOG-ABNG 2000, 29 augustus 2009
door Robert Linschoten
Tribute to Dr Shames for coming and teaching us, I will speak in Dutch, however our conceptions concerning Hypothyreoidism are alike.
Complimenten voor dit gezamenlijk Congres MBOG en ABNG.
Voordracht in Nederlands omdat ik aantal topics duidelijk wil stellen.
Eerst Conclusies:
• Biologische middelen zoals Armour [Forest] en Thyreoidum verdienen voorkeur
• De diagnose Hypothyreoidie is een klinische! Bloedwaarden geven meestal te weinig informatie
• Wij moeten weer leren klinisch te kijken en niet op bloedwaarden varen
• Psychische stoornissen zijn vaak het gevolg van Hypothyreoidie, met name ook postpartum depressie (prof. Hemmo Drexhage, Erasmus MC werkt eraan)
• Als T4 en T3 te hoog zijn: niet schrikken, mits er geen klinische hyperthyreoidie verschijnselen zijn
• ‘Subklinische’ Hypothyreoidie ook behandelen
• Niet bang zijn voor conf licten met reguliere artsen (Internisten) en IVG
Keynote: Onwetendheid, onbegrip en onnozelheid zijn de pijlers van Evidence Based Medicine. Dit is een opmerking uit een voordracht van prof. J. Keppel Hesselink, voorzitter
van de Stichting voor Innovatief Onderwijs en Onderzoek Complementaire Behandelwijzen (April 2009).
Wij zijn niet tegen Evidence Based Medicine en wetenschappelijk onderzoek, maar er wordt dermate mee gemanipuleerd dat het vaak onbetrouwbaar is.
Mijn betoog vandaag is geen wetenschappelijk betoog, maar een aantal overwegingen, een verhaal over ervaringen (Erfahrungsheilkunde) en een aantal algemene problemen.
Dr. Shames en Emar Vogelaar doen het wetenschappelijke deel op dit Congres.
Waarom heeft een algemeen arts als ik zo’n belangstelling voor Hypothyreoidie? Ondanks incidentie van 40% is er weinig belangstelling voor dit probleem. Verschillende familieleden van mij en ikzelf lijden eraan. Ridha Arem spreekt van een verborgen epidemie..........
Een lezing van Jacques Hertoghe (Antwerpse School) inspireerde mij. Herthoge wees op een klinische zienswijze. Ik begon Armour Thyroid (Forest) te nemen en later Thyreoidum. Ik heb nadien nooit meer extra systolen e.a. klachten gehad. Contact gekregen met Hypo-maar niet-
Happy, een aantal actieve vrouwen, die allen persoonlijke ervaring hebben met Hypothyreoidie en zij beschikken over een goede website en vereniging.
Traditionele diagnose en behandeling zijn m.i. obsoleet, TSH heeft alleen betekenis als deze hoog is. Vaak is TSH normaal en desondanks bestaat er toch Hypothyreoidie en omgekeerd!
NB. Een mens is nu eenmaal meer dan een paar getallen! Het gaat om een klinische diagnose!
Er zijn goede boeken beschikbaar:
Broda Barnes en Stephen Langer: Solved: the riddle of illness;
Durrant-Pittfield: The Great Thyroid Scandal and how to survive (zeer goed mogelijk zonder laboratorium).
Zie ook literatuurlijst.
Er wordt aangenomen, dat slechts 5% van de patiënten met Hypothyreoidie afwijkende TSH en/of T4 waarden hebben.
De bloedwaarden leiden tot een dwaalspoor! Reden van onbetrouwbaarheid van bloedwaarden is dat het hormonale spel en trouwens het leven in het algemeen zich afspeelt
in de cellen, in de mitochondrieën. Alle hormonen en enzymen (waaronder Deodasen), cytokynen, mineralen en vitaminen dringen de cellen binnen en hebben invloed. De
cellen hebben een autonoom bestaan. Hieruit volgt dat de gehele levenswijze een rol speelt en bevinden wij ons midden in de Natuurgeneeskunde en het Metabole Syndroom.
J. Hertoghe beschreef dit als het Meervoudige Deficiëntie Syndroom.
Denk bij het klinisch beeld aan psychische symptomen, die veelvuldig aanwezig zijn.
Zie het boek van Anneke Spaaks: Moe Angstig Depressief (leest als roman, maar is wel tragisch!).
Prof. Hemmo Drexhage hoogleraar Immunologie aan de Erasmus Universiteit heeft in een artikel in Volkskrant van maart 2009 opnieuw gewezen op feit dat depressies en schildklier aandoeningen dicht bij elkaar liggen. Manisch-depressieve stoornissen komen 3 maal vaker voor bij schildklier afwijkingen dan bij gezonde mensen.
NB:lithium verergert Hypothyreoidie! Ook Hyperthyreoidie patiënten hebben psychische stoornissen. ‘Het idee dat psychiatrische en somatische ziekten een geheel vormen is een grote paradigma wisseling in de medische wetenschap’. Drexhage spreekt van toekomstig immuno-neuro-endocrien-syndroom.
Wij moeten opnieuw leren klinisch te kijken. Er is een tendens om te grote betekenis te hechten aan het laboratorium, vooral Internisten zijn ‘geprotocoliseerd’. Alles wordt
op laboratoriumuitslag en protocol gebaseerd. Een soort robot benadering, er wordt nauwelijks anamnese afgenomen en er is geen plaats meer voor een gesprek, laat staan
intuïtie!
Protocol en DBC zijn een vernedering voor de geneeskundeen patiënt, alsof iedereen gelijk is. TSH wordt behandeld en niet de patiënt (Lab-based medicine). Wij zijn meer dan getallen of computer modellen. Het is een teken van onzekerheid.
Serban Schreiber stelt in zijn boek: Brein als Medicijn en Anti-kanker en op het KNMG congres (december 2008) dat we moeten leren mediteren en niet alleen onze linker
hersenhelft moeten gebruiken.
Patiënten (meestal vrouwen met Hypothyreoidie) worden vaak niet serieus genomen. Vele malen hoorde ik van vrouwelijke patiënten dat zij van hun dokter hadden gehoord:
“Mevrouwtje de bloedwaarden zijn goed, maakt u zich maar niet ongerust, er bestaat geen schildklier probleem, gaat u maar naar psychiater of psycholoog”! Vaak blijkt er
later toch sprake te zijn van Hypothyreoidie! Aanvankelijk werd ik hier boos om, nu ben ik er aan gewend. Dit is één van de redenen dat ik zolang ben doorgegaan met mijn praktijk en moeilijk afscheid kan nemen, maar nu houd ik er langzaam mee op.
Een van de sterke aspecten van artsen bij de ABNG en MBOG is dat zij luisteren naar patiënten en hun klachten.
Daarom komt er steeds meer belangstelling voor ons vak en zal ‘sergeant majoor’ Renckens er niet in slagen ons weg te vagen. Wel moeten we alert blijven!
Subklinische Hypothyreoidie (TSH hoog, T4 laag) ook behandelen, mits er klachten zijn!
Behandeling: Traditioneel met Levothyroxine Thyrax of Euthyrox (chemisch T4). Het is controversieel omdat het vaak tijdelijk goed gaat, maar bij langer durende Hypothyreoidie:is er een omzet probleem: T4-T3. Er wordt dan steeds hoger gedoseerd, bijvoorbeeld tot 300 mcg! Het tot 1980 veel gebruikte Thyranon (Organon), was nagenoeg gelijk aan Thyreoidum en werd ten gevolge van een onjuiste redenering door de geneesmiddelenwet (1965) verboden. Het synthetische T4 werd er in geramd. Durrant-Pittfield zegt: Als eerste de bijnieren behandelen. In 20 jaar heb ik meer dan 100 patiënten met Hypothyreoidie behandeld. De gegevens heb ik niet systematisch verwerkt. Misschien is het mogelijk dat een arts in opleiding Natuurgeneeskunde dat kan doen?
De meest geloofwaardige procedure is: Goed luisteren en kijken, volledig lichamelijk onderzoek, aandacht voor alle klachten en afwijkingen, behandel de hele patiënt.
De meest frequente klachten zijn: Vermoeidheid, depressie en andere psychische verschijnselen, kouwelijkheid, hoofdpijn en concentratie stoornissen, fibromyalgie,
constipatie, arthritis, vertraagde achillespeesreflex.
Als er klachten zijn, eerst de Voeding regelen.
Supplementeer:Selenium, Tyrosine, vitamine B12 en foliumzuur.
Waardebepaling met behulp van bloedtest van: TSH, FT3, FT4, Anti TPO, homocysteïne, cholesterol, vitamine B12, foliumzuur en evaluatie van de bijnier.
De belangrijkste test is echter de ochtendtemperatuur. (De 24 uur urine test voor schildklier hormonen beschouw ik als onvoldoende.)
Eventueel eerst de bijnier behandelen met hydrocortisone of DHEA; dan proefbehandeling met Tyrosine, chemisch T4 (Thyrax etc.).
Antwerpse school: 1 op 4 patiënten doen het goed op alleen T4, als dat niet voldoende verbetering geeft, Armour of Thyreoidum, of een combinatie van chemisch T4 en
T3, bijvoorbeeld Novothyral (Merck) of Thyrax en Cytomel (Cynomel), vitamine B1, B6 en B12, foliumzuur, zink en koper. Beweging is belangrijk. Storende factoren kunnen
zijn: gebrek aan ijzer, selenium, magnesium.
Cave, betablokkers, cordarone, lithium, jodium, strumazol remmen de schildklierfunctie.
Dosering verhogen tot er lichte Hyperthyreoidie verschijnselen optreden, dan iets lager doseren. Veel vrouwen voelen zelf aan of zij meer of minder nodig hebben.
Er zijn aanwijzingen dat er sprake kan zijn van receptor resistentie voor schildklier hormonen (te vergelijken met insuline resistentie): veel substitutie met hormonen zonder verbetering
Enkele Mythen:
• Schildklier hormonen geven osteoporose en zijn slecht voor het hart (vergelijk vitamine C en nierstenen).
• Biologische middelen zijn niet goed gestandaardiseerd, daardoor weet je niet hoeveel je geeft.
• Biologisch middelen kunnen gekke koeienziekte overbrengen of varkenspest.
Enkele typische casussen (uit velen):
Casus I
Mevrouw X kwam in maart 2007 haar eigen verhaal vertellen.
De funeste gevolgen van het niet herkend worden van haar klachten zijn in dit geval zelfs dramatisch te noemen.
Mevrouw X is 50 jaar en vertelt hoe zij na haar eerste bevalling een postnatale depressie ontwikkelde.
Uiteraard werd naar aanleiding daarvan uitvoerig fysiek onderzoek verricht, evenals bloedonderzoek; alles volgens de regulier medische richtlijnen. Omdat er geen
organische oorzaken werden gevonden voor haar klachten, werden deze als psychisch syndroom beschouwd en behandeld. Het gevolg was een tiental jaren durende lijdensweg, waarbij patiënte tal van psychologen en psychiaters zag voorbijgaan die keer op keer bevestigden dat haar probleem ‘tussen de oren’ zetelde. Helaas brachten deze specialisten geen enkele verbetering in de ziektetoestand met hun therapeutische strategieën. Dit betrof
gesprekstherapieën en een hele serie antidepressiva, waar patiënte eerder slechter dan beter van werd. Het ging zover, dat de ziektetoestand een medische indicatie vormde tot afbreken van haar tweede zwangerschap. Ten einde raad kwam patiënte via, via op mijn pad. Uit systematische metingen van de lichaamstemperatuur bleek dat patiënte regelmatig een onder temperatuur had, dat in mijn opvatting wijst op Hypothyreoidie. Hoewel het bloedonderzoek geen afwijkingen vertoonde die op Hypothyreoidie duidden, bracht een behandeling met thyreoidum, al snel verandering en terugkeer naar volledige gezondheid in geestelijk en lichamelijk opzicht. Hierdoor werd het mogelijk om opnieuw aan gezinsuitbreiding te
denken, een woord dat jarenlang niet meer was gevallen, maar waaraan nu de daad kon worden toegevoegd.
Een gezond tweede kind werd geboren en dat zonder een postnatale depressie achteraf. Integendeel, patiënte reageerde als een opgewekte, bloeiende vrouw en ziet er ook nu nog steeds zo uit. Zij blijkt inmiddels al weer jarenlang haar taak als moeder en haar werk volledig te kunnen uitoefenen. Als behandeling gebruikt mevrouw X nog dagelijks thyreoidum onder medische controle.
Casus II
De heer Y, geboren in 1955, eigen bedrijf, was volgens het geldende protocol langdurig met thyrax behandeld i.v.m. Hypothyreoidie voordat hij bij mij in behandeling kwam. De heer Y consulteerde mij voor het eerst in 2003.
De huisarts had bij hem Hypothyreoidie vastgesteld en stelde hem in op thyrax, waarvan de dosis langzaam werd verhoogd tot 175 mcg. per dag. Desondanks voelde hij zich nog steeds zwak en beroerd en niet is staat tot werken. Terwijl hij vroeger veel aan sport deed, was hij
niet in staat iets aan beweging te doen. Zijn klachten waren verder: gewichtstoename,
kouwelijkheid, infecties (o.a. impetigo), depressiviteit, concentratie- en geheugen
stoornis, nervositeit, droge pafferige huid met schimmels en eczeem, spierpijn, hartkloppingen en verminderde libido.
Bij onderzoek: gewicht 85 kg, bij een lengte van 178 cm, RR 140/80, hart en longen gb, urine gb, schildklier iets vergroot, overigens geen afwijkingen, bloed: TSH 1.8, FT4 18.1, FT3 1,8,
Ik stelde hem voor thyrax geleidelijk te vervangen door thyreoidum (KNMP 14029634). Ik schreef een brief aan zijn huisarts. Tijdens het 2e consult voelde de heer Y zich veel beter, met name zijn geheugen was verbeterd.
Ik liet regelmatig bloed prikken op TSH, FT4, FT3 en talrijke andere bepalingen, steeds voorafgaand aan een consult.
Aanvankelijk zag ik hem na 3 maanden, later na een half jaar en thans eens per jaar. Hij maakt het nu heel goed. ”Zonder thyreoidum zou ik geen bedrijf meer hebben gehad”, aldus de heer Y.
Concluderend was de heer Y ernstig belemmerd en niet in staat zijn werk te doen met uitsluitend thyrax. Met de combinatie thyreoidum/thyrax is de heer Y klinisch volkomen hersteld. Dit is een type casus, waarvan ik er vele kan produceren.
Casus III
Een 36-jarige vrouw werd 3 jaar eerder behandeld met een ‘slok’ wegens Hyperthyreoidie (Graves). Daarna ontstond een sterke Hypothereoidie met veel overgewicht, myxoedeem, depressie, haaruitval, gewrichtsklachten.
Zij had een overtuigende kinderwens maar werd niet zwanger ondanks 175 mcg. thyrax.
Na instelling op combinatie thyrax met 2dd 2 grain (120 mg) thyreoidum verbeterden haar klachten en werd zij na 2 jaar voor het eerst zwanger.
Tijdens de zwangerschap werd de dosis met 50 % verhoogd en viel patiënte af. Inmiddels heeft zij een gezond kind waarmee zij erg gelukkig is.
Conclusie: De radioactieve slok was te hoog gedoseerd en patiënte is niet goed nabehandeld. Een betere instelling van de medicatie ondersteunde de realisatie van haar kinderwens.
Casus IV
Mevrouw Z. voelde zich ondanks 150 mcg. Thyrax toch slecht. Met Thyreoidum knapte zij snel op, kon weer werken en functioneren.
Helaas werd Thyreoidum door haar zorgverzekeraar ineens niet meer vergoed.
NB. Thyreoidum wordt met steeds meer moeite door verzekeraars vergoed.
Literatuur:
(*1) Linschoten, R. Schildklierproblemen; hypothyreoïdie. Tijdschrift Integrale Geneeskunde 1994 10/3
(*2) Zie de voortreffelijke infomap van de patiëntenwerkgroep HYPOmaarnietHAPPY.
(*3) Barnes, B.O. Hypothyroidism: the unsuspected illness. Harper & Row 1976 ISBN 0 690 01029
(*4) ‘Effects of Thyroxine as Compared with Thyroxine plus Triiodothyronine in Patients with Hypothyrodism’, Buneviius R., M.D.,
Ph.D. Kaanaviius G., M.D., Ph.D., Alinkeviius R., M.D. and Prange A.J., M.D., New England Journal of Medicine, Volume 340:424-429, Number 6, February 11, 1999.
(*5) Doctoraalonderzoek Medisch Biologe Weel K., ‘Klachten bij de behandeling van hypothyreoïdie’, oktober 1992.
• Escobar-Morreale, HF, Endocrinology 1996 Jun; 137(6):2490-502; Only the combined treatment with thyroxine and triiodothyronine ensures euthyreoidism in all tissues of the thyreoidectomised rat.
• Baisier, WV, Hertoghe J and Eeckhaut W, Journal of Environmental Medicine (2000) 10, 105; Thyreoid Insufficiency. Is TSH measurement the only Diagnostic Tool?
• Durrant-Peatfield, B; The Great Thyreoid Scandal; Barons Down Publishing ISBN 0-9544203-0-6
Voor uitgebreide literatuurlijst, besproken door Lottie van Starkenburg zie: www.hypomaarniethappy.nl
Back to top
Symposium ABNG-2000 op 9 maart 2007 in Mecure hotel Bunnik
Verslag middagprogramma Hypothyreoidie
Inleider: R. Linschoten (RL)
SAMENVATTING:
1. TSH is geen betrouwbare maatstaf ter beoordeling van het al dan niet aanwezig zijn van een hypothyreoidie.
2. De diagnose hypothyreoidie wordt, behalve op grond van de klinische verschijnselen, gesteld met behulp van systematische meting van de lichaamstemperatuur.
3. De 24-uurs uitscheiding van schildklierhormonen in de urine is niet geschikt voor de diagnostiek en het begeleiden van de behandeling van hypothyreoidie, zulks in afwijking van eerdere suggesties.
4. Alvorens hypothyreoidie te behandelen moet de bijnierfunctie goed bevonden worden.
5. De behandeling begint met toediening van 200 mcg selenomethionine
6. Het toedienen van thyrax (T4) is in veel gevallen van hypothyreoidie niet toereikend.
7. Schildklierhormoon wordt voorgeschreven in de vorm van biologisch schildklierextract (thyreoidum), dat alle schildklierhormoonvarianten bevat. Soms wordt een combinatie met thyrax geadviseerd.
INLEIDING
In het ochtendprogramma was de ziekte van Lyme aan de orde. RL komt dus in de verleiding om daar een vergelijking mee maken. Om te beginnen is het ziektebeeld hypothyreoidie veel eenvormiger dan de ziekte van Lyme, waarvan ongeveer 450 varianten bestaan. RL bedoelt niet dat hypothyreoidie heel gemakkelijk te herkennen is, of dat de symptomatologie beperkt is en dat iedere patiënt dezelfde symptomen heeft; integendeel. Hypothyreoidie kan op vele wijzen aan de dag treden, maar als deze diagnose wordt overwogen is het betrekkelijk simpel om de diagnose te stellen. Bovendien kan, als de diagnose hypothyreoidie eenmaal is gesteld, op relatief eenvoudige wijze en in vrij korte tijd een bevredigend therapeutisch resultaat bereikt worden. Bij de ziekte van Lyme ligt dat veel moeilijker.
Voor de volledige symptomatologie van hypothyreoidie verwijst RL naar de syllabus die is samengesteld door de gelijknamige werkgroep.
VOOROORDEEL WEGNEMEN
Voor degenen die met deze materie nog niet al te zeer vertrouwd zijn begint RL met te trachten een vooroordeel weg te nemen. In onze universitaire scholing is ons geleerd dat de diagnose hypothyreoidie berust op bloedonderzoek en dat hypothyreoidie een zeldzaam syndroom is. Dit is nog steeds de heersende opvatting onder internisten en endocrinologen. Volgens recent statistisch onderzoek is de incidentie van de op “orthodoxe wijze” gestelde diagnose hypothyreoidie kleiner dan 0.1 % (1). Echter, volgens Broda Barnes (2) krijgt 40% van de bevolking vroeg of laat met hypothyreoidie te maken. Anderen houden het op 20% (3). Hypothyreoidie is dus volgens laatstgenoemde auteurs, afgezien van veroudering, de meest voorkomende bron van gezondheidsklachten. De enorme discrepantie in opvattingen wat betreft de incidentie van hypothyreoidie berust op de criteria die men hanteert. Voor de reguliere geneeskunde is bloedonderzoek het enige criterium voor het al dan niet aanwezig zijn van hypothyreoidie. CAM-artsen echter baseren zich voornamelijk op de klinische verschijnselen en kennen sommige laboratoriumwaarden een minder belangrijke plaats toe. De controverse speelt niet alleen op het gebied van de diagnostiek, maar ook op dat van de behandeling. Een duidelijk voorbeeld hiervan komt tot uiting in de zeer druk bezochte patiëntenwebsite www.hypomaarniethappy.nl
Een hypothyreoidie wordt over het algemeen moeilijker herkend dan een hyperthyreoidie. Behandeling van hyperthyreoidie leidt meestal tot medicinale hypothyreoidie die wordt gecompenseerd met thyroxine per os. Eerst wordt dan namelijk de schildklier met thyreostatica (carbimazol, thiamazol en propylthiouracil) of met een slok radioactief J131 uitgeschakeld. Vervolgens wordt de patiënt standaard en meestal levenslang behandeld met thyrax. Dezelfde situatie treedt op wanneer de schildklier om de één of andere reden operatief is verwijderd. De praktijk heeft geleerd dat door deze medicatie bij sommige patiënten klinische verschijnselen optreden die op hypothyreoidie wijzen terwijl die voorheen niet bestonden. Vaak worden die verschijnselen echter niet als zodanig herkend of geduid, omdat de patiënt thyroxine (thyrax) gebruikt en omdat in het bloed geen aanwijzingen zijn in de vorm van een verhoogde TSH spiegel of een te lage T4 concentratie. Volgens RL wordt bloedonderzoek als criterium van gezondheid en ziekte overgewaardeerd door onze behoefte aan tellen en meten. Daarbij wordt het luisteren naar wat de patiënt te vertellen heeft ondergewaardeerd. De algemene overwaardering van bloedonderzoek heeft in het bijzonder bij de diagnosestelling hypothyreoidie funeste gevolgen voor de patiënten. Dat is geen “evidence based medicine maar lab based medicine”.”Ondanks deze ruime beschikbaarheid aan gevoelige en specifieke laboratoriumbepalingen of beter gezegd, juist hierdoor, blijft het essentieel”, aldus een gezaghebbend handboek voor laboratoriumonderzoek, “dat de behandelend arts uitgaat van klinische bevindingen bij de patiënt” (4).RL zegt hier in het verloop van zijn voordracht op terug te zullen komen, maar wil eerst plausibel maken waardóór het komt dat zoveel mensen hypothyreotisch worden.
HYPOTHYREOIDIE DOOR INSUFFICIËNTIE VAN DE SCHILDKLIER
Behalve dat een verhoogde cortisolspiegel bij stress rechtstreeks leidt tot een verhoogde intracellulaire “reverse T3” productie met een daarbij behorende hypothyreoidie, is de schildklier zélf ook een hoog gevoelig orgaan voor psychische spanningen. Het is een ervaring van veel artsen, zij het moeilijk als wetenschappelijk feit aantoonbaar, dat de hormonale functie van de schildklier op de lange duur door stress nadelig beïnvloed kan worden. Volgens de chakraleer uit de Hindoefilosofie bevindt het communicatiechackra (vishudda of 5e Chackra) zich op de locatie van de schildklier. Mensen met een goed ontwikkeld keelchackra communiceren goed, stralen zelfvertrouwen uit en winnen ook snel vertrouwen van anderen, zo is de opvatting. Frustratie en gebrek aan zelfvertrouwen daarentegen leveren permanent stress op. De woede, het verdriet of de angst die mensen (hebben) ervaren maar niet (hebben) kunnen uiten, worden weggestopt in het onderbewustzijn. Deze “opgekropte” emoties kunnen in principe de schildklier ontregelen, zowel in de zin van hypo- als van hyperthyreoidie. Daarnaast is de schildklier ook zeer kwetsbaar voor autoïmmunreacties, straling, zware metalen, diverse chemische stoffen en voor geneesmiddelen (amiodoron, bètablokkers en corticosteroïden en vele andere). Bij dit alles speelt het geslacht ook nog een rol. Bij vrouwen komt 8x zo vaak hypothyreoidie voor als bij mannen. De rol van de vrouw in onze maatschappij, maar ook het minder stabiele vrouwelijke hormonale systeem spelen hierbij vermoedelijk de doorslaggevende rol. Zo heeft postnatale depressie vaak hypothyreoidie als oorzaak.
DEMONSTRATIE PATIËNTE
RL demonstreert vervolgens een patiënte waarbij dit laatste wel heel duidelijk aan de orde is geweest. De funeste gevolgen van het niet herkend worden van de klachten zijn in dit geval zelfs dramatisch te noemen. Mevrouw X, predikante, 50 jaar, vertelt hoe zij na haar eerste bevalling een postnatale depressie ontwikkelde. Uiteraard werd naar aanleiding daarvan uitvoerig fysiek onderzoek verricht, evenals bloedonderzoek; alles volgens de regulier medische richtlijnen. Omdat geen organische oorzaken werden gevonden voor haar klachten, werden deze als psychisch syndroom beschouwd en behandeld. Het gevolg was een tiental jaren durende lijdensweg, waarbij patiënte tal van psychologen en psychiaters zag voorbijgaan die keer op keer bevestigden dat haar probleem “tussen de oren” zetelde. Helaas brachten deze specialisten geen enkele verbetering in de ziektetoestand met hun therapeutische strategieën. Dit betroffen gesprekstherapieën en hele series antidepressiva, waar patiënte eerder slechter dan beter van werd. Het ging zover, dat de ziektetoestand een medische indicatie vormde tot afbreken van mijn tweede zwangerschap, aldus mevrouw X. Ten einde raad kwam patiënte via, via op het pad van RL. Uit systematische metingen van de lichaamstemperatuur bleek dat patiënte regelmatig ondertemperatuur had, wat in de ogen van RL pathognomonisch is voor de diagnose hypothyreoidie. Hoewel bloedonderzoek geen afwijkingen vertoonde die op hypothyreoidie duidden, bracht een behandeling met thyreoidum, tot verbazing der beschouwers, al snel verandering en terugkeer naar volledige gezondheid in geestelijk en lichamelijk opzicht. Hierdoor werd het mogelijk om opnieuw aan gezinsuitbreiding te denken, een woord dat jarenlang niet meer was gevallen, maar waaraan nu de daad kon worden toegevoegd. Een gezond tweede kind werd geboren en dat zonder een postnatale depressie achteraf. Integendeel, patiënte reageerde als een opgewekte, bloeiende vrouw en ziet er ook nu nog steeds zo uit. Zij blijkt inmiddels al weer jarenlang haar taken als moeder en predikante volledig te kunnen uitoefenen. Als behandeling gebruikt mevrouw X nog dagelijks thyreoidum onder medische controle.
DIVERSE SCHILDKLIERHORMONEN
RL herhaalt naar aanleiding hiervan dat er heel wat mis is met de gangbare diagnosestelling hypothyreoidie. Maar allereerst wil hij iets verduidelijken over de namen van de verschillende hormonen. Het skelet van schildklierhormoon wordt gevormd door het essentiële aminozuur tyrosine waaraan jodiumatomen zijn gekoppeld op plaats 3 of op de plaatsen 3+5 van de benzeenring. Is er sprake van 1 molecuul tyrosine als basis dan hebben we te maken met 3 mono-joodtyrosine (T1) of 3.5-dijoodtyrosine (T2). Aan het tyrosinemolecuul kan via een zuurstofatoom een tweede benzeenring zijn gekoppeld. Er zijn dan 4 bindingsplaatsen voor jodium beschikbaar op de 3 en 5 posities. Als alle 4 bindingsplaatsen zijn gejodeerd heet de metaboliet: 3.5.3.5. tetrajood-L-thyronine (T4, of thyroxine). Als de 5-plaats van de buitenste ring niet aan jodium is gebonden dan heet de metaboliet: T3 of 3.3.5-trijood-L-thyronine. Deze laatste stof, T3, is het eigenlijke actieve hormoon; thyroxine (T4) is niet als zodanig hormonaal actief; het is een voorraad- of préhormoon.
DE DYNAMIEK VAN SCHILDKLIERHORMOON
De schildklier produceert onder normale omstandigheden 4x zoveel T4 als T3. De beide zesringen worden onderscheiden in een binnenste en een buitenste ring. Twee jodium atomen in de buitenste ring betekent hormonale inactiviteit. Het officiële standpunt is dat er geen sprake is van hypo-of hyperthyreoidie bij een TSH spiegel (thyreotroop hormoon van de hypophyse) tussen 0.35 en 6.0 mIU/L. De TSH spiegel in het bloed, zo is de opvatting, is een goede “afspiegeling” van de T4 (en dus van de T3) status, omdat het TSH gehalte in het bloed stijgt wanneer er een T4 tekort is en omgekeerd. Echter, dat de TSH niet altijd een goede afspiegeling is van de schildklierhormoonstatus werd in februari 2003 gepubliceerd in de BMJ: Thyroid function tests and hypothyroidism. Measurement of serum TSH alone may not always reflect thyroid status (5). Ook Deense onderzoekers toonden aan dat de uitslag van een schildklierhormoononderzoek weliswaar binnen de normale grenzen kan liggen, maar dat dit niet bewijst dat de individuele persoon een optimale schildklier-hormoonfunctie heeft. Deze wetenschappers vinden het verschil tussen klinische en subklinische hypothyreoidie nogal arbitrair (6).
Een TSH bepaling berust in de praktijk op een éénmalige waarneming op een willekeurig tijdstip van de dag. De onder- en bovengrens van de normale TSH referentiewaarden liggen echter zeer ver uit elkaar, en wel met een factor 17. De bijgaande grafieken (ter beschikking gesteld door drs. H. van Montfoort) van twee willekeurige testpersonen (beide klinisch euthreoot) maken aanschouwelijk hoe de TSH spiegel gedurende het etmaal fluctueert.

Om een hypo- of hyperfunctie via een TSH bepaling aan te tonen, zou men per patiënt een dergelijke grafiek moeten produceren, hetgeen als routinebepaling niet haalbaar is. In dit voorbeeld is een TSH waarde van 5 mU/ml is voor de onderste proefpersoon normaal, maar wijst voor de bovenste proefpersoon op een flinke hypothyreoidie. De Belgische internist Baisier (7) vindt de relevantie van een “normale” TSH bepaling daarom nihil. Er blijkt volgens deze auteur geen overeenstemming tussen de TSH waarde en klinische symptomen die op hypothyreoidie wijzen. Dat bij een normaal T4 en T3 gehalte in het bloed ook intracellulair geen hormoontekorten zijn is bovendien een aanname. Dit is namelijk tot nu toe niet aangetoond en is ook vrijwel onmogelijk aan te tonen. In nog sterker mate geldt dit voor een situatie waarbij de T4 àT3 omzetting in de hersenen adaequaat is, maar niet in de perifere weefsels of de omgekeerde situatie. De TSH spiegel reageert op wat in het bloed gebeurt. Dat is een afgeleide waarneming met betrekking tot de intracellulaire T3 spiegel, waar het uiteindelijk om gaat. De plasma concentratie van T4, en zelfs van T3 is dus niet bepalend voor de vraag of er al dan niet een hypothyreoidie bestaat. Plasma T3 is slechts voor een klein deel direct afkomstig van productie in de schildklier en voor het overgrote deel afkomstig van productie in de lever en nieren o.i.v. deiodinase D1 (8).
DE CRUCIALE ROL VAN DEIONIDASES
Het is een drietal deiodinases dat de hormonale kinetiek regelt. Deze seleniumhoudende enzymen kunnen een jodiumatoom aan het hormoonmolecuul onttrekken; een proces dat intracellulair plaats vindt. Het is dit intracellulaire proces dat uiteindelijk de klinische toestand bepaalt. Is er een toenemende behoefte aan T3 dan wordt T4 door deiodinase D1 en/of D2 omgezet in T3. D1 en D2 zijn in principe actief in alle lichaamscellen, maar D1 doet dit voornamelijk in de nieren en lever en D2 voornamelijk in het CZS. Het plasma T3, afkomstig van productie in de lever en de nieren diffundeert in eerste instantie naar de weefselcellen van de meeste organen, maar in deze weefselcellen wordt de T3 naar behoefte aangepast door intracellulaire omzetting van T4 in T3 o.i.v. D1 of D2. Deze intracellulaire T3 productie is de beslissende schakel in de vraag of er al dan niet een klinische hypothyreoidie is. Uiteraard betekent dit dat ook het meten van de serumconcentratie van T3, geen automatische afspiegeling is van hetgeen er intracellulair gebeurt en dat geldt a fortiori voor het serum T4 gehalte. Een intracellulair T3 tekort kan dus het gevolg zijn van een verstoring van het samenspel der deionidases. Een “normale” serumconcentratie van T3 en T4 met een daaraan gekoppelde “normale” TSH waarde zegt dus lang niet alles en kan een vals positief beeld geven. Afgezien van de 24-uursschommelingen in het bloed is er dus een tweede factor die met name de TSH bepaling devalueert als graadmeter voor de hormonale balans. We herhalen dit vanwege het grote belang van deze waarneming. Hier ligt namelijk de oorzaak van de veelvuldige miskenning van hypothyreoidie als oorzaak van uitgebreide klachten die als “psychisch” worden afgedaan en vaak leiden tot een strijd tussen de in dit vakgebied actieve artsen, met de patiënt als slachtoffer.
T3 en rT3
Hoewel een aantal oorzaken van hypothyreoidie algemeen bekend zijn, zoals een verminderde productie van hormoon door de schildklier na een ontsteking van de schildklier (M. Hashimoto) of na bewuste uitschakeling van de schildklier, hetzij door operatie, hetzij chemisch, hetzij radioactief (J131), worden T3 insufficiënties dus frequent veroorzaakt door verstoring van de functie der deiodinases. Dit kan zijn een verminderde activiteit van D1 of een verhoogde activiteit van D3. De activiteit van D3 neemt toe als de cortisolspiegel stijgt. D3 verwijdert een jodiumatoom op bindingsplaats 5 van de binnenste ring van het hormoon. Daardoor ontstaat reverse T3 (3.5.3. trijodothyronine), een inactief hormoon dat de receptorplaatsen van actief T3 bezet en daardoor de hormonale activiteit doet afnemen. In een situatie van evenwicht wordt T4 voor 40% omgezet in reverse T3 (rT3). D3 beschermt tegen een te hoge spiegel van actief T3, bijvoorbeeld in geval van hyperthyreoidie. Ook tijdens vasten, hongeren en stress is er een verhoogde rT3 vorming, evenals ten gevolge van selenium, kalium en zinktekort of door een zware metalenintoxicatie. Bij sommige mensen is deze intracellulaire T3/rT3 verhouding constitutioneel verlaagd, zodat de hoeveelheid rT3 ruim boven deze 40% uitkomt. In feite is er dan sprake van hereditaire hypothyreoidie, met een normaal serum T3 gehalte. Deze mensen kunnen constant last hebben van overgewicht. Een vermageringsdieet helpt helemaal niets; integendeel. Het zal duidelijk zijn dat behandeling met uitsluitend T4 (thyrax) op deze situatie ook geen enkel positief effect heeft. Ook o.i.v. stress kan een situatie ontstaan waarbij de T3/rT3 ratio verlaagd is bij een normaal serum T3 gehalte. De intracellulaire T3/rT3 ratio moet worden verhoogd en slechts toediening van actief T3, liefst in de vorm van schildklierextract (slow release) kan in deze, niet zeldzame, gevallen een therapeutisch effect hebben.
Een adaequate, intracellulaire T3 spiegel in het CZS is essentieel zowel voor de opbouw als voor het behoud van de functie van het CZS. Hierbij speelt de deiodinase D2, die voornamelijk actief is in de hersencellen, een doorslaggevende rol. D2 is minder vaak insufficiënt dan D1 maar bij een absoluut Jodium tekort kan ook D2 insufficiënt worden. Er kunnen dan ernstige afwijkingen in het CZS optreden. Bij Jodium tekort in de foetale periode ontstaan door T3 tekort in het CZS ernstige degeneratieve afwijkingen van het CZS, vaak niet met het leven verenigbaar.
DIAGNOSTIEK: LABORATORIUMONDERZOEK LAAT ONS IN DE STEEK
Het cruciale probleem wat betreft de diagnostiek van hypothyreoidie is dat intracellulaire metingen van hormonale concentraties helaas niet tot de mogelijkheden behoren van klinisch laboratorium onderzoek, laat staan als routine onderzoek. Exacte diagnostiek op basis van bloedonderzoek blijft tot nu toe, zoals hierboven is aangetoond, een wensdroom. Een betrouwbare bepaling van het ongeconjugeerde FT3 en FT4 in de 24-uurs urine is technisch mogelijk. Gesuggereerd is dat de bovenvermelde 24-uurs-schommelingen met de daaraan verbonden beperkingen, hiermee geëlimineerd zouden kunnen worden. Uit de ervaring van diverse ABNG-leden in de afgelopen jaren is echter gebleken dat de waarden van FT4 en FT3 in de urine van hypothyreoidiepatiënten die met thyreoidum werden behandeld en klinisch verbeterden, geen parallelle verbetering vertoonden, laat staan normaalwaarden. Overigens is ook niet gelukt om de referentiewaarden van deze bepalingen te valideren. Diagnostiek langs deze weg blijft dus in het luchtledige hangen. Dit is eigenlijk niet vreemd, want het stofwisselingsproces van schildklierhormoon is gecompliceerd. Er ontstaan door centrale productie en perifere afbraak van schildklierhormoon diverse, uiteenlopende metabolieten. Naast T3, bijvoorbeeld twee soorten T2, twee soorten T1 en T0. Bovendien wordt d.m.v. conjugering met glucuronzuur, sulfatering, desaminering en decarboxylering van schildklierhormoon een te hoge (schadelijke) hormoonconcentratie voorkomen. Naast FT4 en FT3 kunnen dus nog vele geheel of gedeeltelijk gedeiodeerde metabolieten in de urine aanwezig zijn. Deze conjugaten van schildklierhormoon kunnen ongeveer de helft vormen van al het T4 en T3 dat in de urine wordt uitgescheiden. Deze omstandigheid maakt het om theoretische reden al uiterst moeilijk om aan de hand van FT3 en FT4 uitscheiding de activiteit van het hormoon in het lichaam te beoordelen. Bovendien wordt T4 actief teruggeresorbeerd in de niertubuli en wordt, omgekeerd, T3 selectief door de tubuli uitgescheiden. De T4/T3 ratio is daardoor in de urine totaal anders dan in het bloed (9,10,11,12,13). Een laatste handicap is het gegeven dat slechts 2% van de productie FT3 en FT4 per etmaal als zodanig wordt uitgescheiden (14). Vele auteurs, die op basis van eigen onderzoek gepubliceerd hebben over de 24-uurs uitscheiding van FT3 en FT4 als maatstaf voor het al dan niet bestaan van hypo- of hypothyreoidie, zien uiteindelijk geen voordeel in deze 24-uursuitscheiding boven die van het gebruikelijke bloedonderzoek. Hierbij zijn de bovengenoemde argumenten doorslaggevend.
SYMPTOMEN VAN HYPOTHYREOIDIE
Hoewel dus niet meetbaar, leidt het intracellulaire T3 tekort tot allerlei symptomen, waarvan het biologische oxydatieproces in de mitochondriën op de eerste plaats staat. Verminderde activiteit van T3 leidt tot een verminderde warmteproductie en vele andere symptomen. Omdat daling van de lichaamstemperatuur vrij eenvoudig is vast te stellen is dit voor de clinicus zo’n belangrijk symptoom. Een rectale ochtendtemperatuur van 36.7 of lager (gemeten voor het uit bed komen, gedurende een week) is bewijzend voor mitochondriale hypofunctie en duidt vrijwel altijd op hypothyreoidie.
Een uitgebreide toepassing van de temperatuurmeting bij zowel de diagnostiek als ter begeleiding van de behandeling is gegeven door Wilson (15).
DE BETEKENIS VAN T2
Tot voor enkele jaren werd T2 beschouwd als een inactieve metaboliet wegens zijn geringe affiniteit tot de receptoren voor schildklierhormoon (THR). Er zijn twee soorten T2: 3.5.dijoodtyrosine (3.5.T2) en 3.3. dijoodthyronine (3.3.T2). 3.5 T2 wordt gevormd in de schildklier en is een actief hormoon; 3.3 T2 is een inactief afbraakproduct van T3 of rT3. In het vervolg wordt met T2 de actieve vorm, d.w.z. 3.5 T2 bedoeld. Uit dierexperimenteel onderzoek bij ratten is gebleken dat het in de schildklier gevormde T2, een aantal belangrijke functies heeft. Zo is gebleken dat T2 in staat is de mitochondriale respiratie te stimuleren onafhankelijk van de celkern (i.t.t. de stimulatie door T3 die via de nucleus verloopt). Mitochondriën zijn de belangrijkste doelorganen van T2 hoewel T2 ook buiten de mitochondriën invloed uitoefent, o.a. voor het transport van ionen en enzymen. Enkele dierexperimenteel aangetoonde functies van T2 zijn: het versterken van de cellulaire respiratie en zuurstofconsumptie, verhoging van de basaalstofwisseling, stimulering van de productie van groeihormoon, beïnvloeding van de werking van de deionidases, en beïnvloeding van de lipidperoxidatie. Meer en meer wordt dus duidelijk dat T2 biologisch actief is, maar functies heeft die nauwelijks lijken op die van T3. Ook is er geen affiniteit tot de T3 receptoren (16, 17, 18).
Het belang van T2 komt aan de orde bij de behandeling van hypothyreoidie, vooral wanneer deze berust op een verminderde functie van de schildklier zelf. In dat geval is namelijk ook een T2 tekort voor de hand liggend. De gangbare thyrax (T4, levothyroxine) behandeling bij hypothyreoidie is dus ook vanwege een mogelijk T2 tekort, inadaequaat.
BEHANDELING HYPOTHYREOIDIE
Alvorens een hypothyreoidie-patiënt te gaan behandelen is het een vereiste om, behalve een TSH, T4 en T3 bepaling, de bijnierwerking via bloedonderzoek te controleren. Door een langdurige hypothyreoidie kan namelijk de bijnierfunctie na een aanvankelijke verhoogde activiteit tenslotte insufficiënt zijn geworden. Zoals hierboven reeds gemeld kunnen ook andere oorzaken (stress) kunnen tot hypofunctie van de schildklier leiden. Voor succes met de behandeling van hypothyreoidie is een goede bijnierfunctie een voorwaarde. In het geval van bijnierinsufficiëntie is een aparte behandeling uiteraard noodzakelijk. Door een bijnierinsufficiëntie over het hoofd te zien en een behandeling met schildklierhormoon toe te passen, kan de bijnierinsufficiëntie zelfs verergeren.[In het kader van dit verslag gaan wij niet dieper in op de behandeling van bijnierinsufficiëntie.] In de praktijk maakt RL. om de bijnierfunctie te beoordelen, gebruik van de DHEA (DeHydroEpiAndrosteron) bepaling, die in een ambulante praktijk praktischer is dan een cortisol-meting. Een cortisolbepaling moet namelijk op twee verschillende tijdstippen van de dag verricht worden (om 08.00 uur nuchter en om 16.00 uur). In toestanden van (chronische) stress gaat de bijnierschors aanvankelijk meer cortisol maken en daalt de DHEA spiegel in het bloed: toestanden die gekenmerkt worden door "afbraak" (katabolie) vertonen verhoogde cortisol- en verlaagde DHEA concentraties. Een laag DHEA wijst dus op een hoog cortisol en een (over-)actieve bijnier. Echter, als de bijnier uitgeput raakt daalt het cortisol en stijgt het DHEA. Ook een seleniumtekort moet uitgesloten worden, want dit alleen al kan door insufficiëntie van de deiodinases tot hypothyreoidie leiden. Daarom moet als voorzorgsmaatregel bij de behandeling van hypothyreoidie altijd 200 mcg selenomethionine worden gegeven, eventueel zelfs als eerste therapeutische maatregel, zelfs vóórdat met schildklierhormoon wordt aangevangen.
Hoewel de oorzaken voor een hypothyreoidie zeer kunnen verschillen, maakt het weinig verschil voor de behandeling. De gegeven adviezen gelden dus zowel voor die gevallen waarbij de oorzaak gelegen is in totale uitschakeling van de schildklierfunctie (door ziekte, operatie, langs radioactieve of chemische weg), als voor gevallen waarbij de perifere omzetting van T4àT3 tekort schiet.
Escobar–Morreale (19) is voorstander van gecombineerde T4/T3 substitutie. De aanbeveling van Baisier en Skinner gaan in dezelfde richting, zij het dat zij schildklierextract prefereren (7).
BEHANDELING VAN ATYPISCHE HYPOTHYREOIDIE IS OMSTREDEN
Behandeling met schildklierhomoon van patiënten met klinische verschijnselen van hypothyreoidie zónder afwijkende schildkliertesten wordt o.a. bestreden door Pollock c.s. op basis van een gerandomiseerde dubbelblinde crossover studie waarbij thyroxinetoediening werd vergeleken met placebo bij een groep dergelijke patiënten (20). De misvatting van laatstgenoemde auteurs is, dat thyroxine gelijkgesteld wordt aan schildklierhormoon en zij zijn niet de enigen. Dit is ook de opvatting van de Nederlandse Internisten Vereeniging anno 2007. Behandeling van patiënten met uitsluitend T4 (thyrax) als substitutie is in zulke gevallen nu eenmaal niet toereikend en kan zélfs tekort schieten als er wél sprake is van een typische hypothyreoidie. Dit heeft de praktijkervaring van diverse ABNG-artsen aangetoond (zie ook 22). Tientallen patiënten met een door een internist of endocrinoloog aangetoonde hypothyreoidie die ondanks thyroxinebehandeling met allerlei klachten bleven zitten, werden klachtenvrij dankzij het gebruik van schildklierextract. Daar komt bij dat met uitsluitend thyraxbehandeling van hypothyreoidie een mogelijk seleniumtekort over het hoofd wordt gezien evenals een mogelijk gebrek aan T1 en T2. Ook kan het zijn dat de omzetting van T4 in T3 onvoldoende is. Uiteraard zijn combinaties van deze oorzaken denkbaar. Dus ook aanvullende therapie met (synthetisch) T3 kan de pathologie niet in alle gevallen volledig doen verdwijnen. Hier geldt het advies: substitueren met schildklierpoeder. Hetzelfde regiem is van toepassing op hypothyreoidie door uitval van de perifere omzetting T4àT3. In al deze gevallen is het aan te bevelen om eerst seleniumsuppletie (1 dd 200 mcg selenomethionine) te proberen. Als dit binnen 6 weken geen duidelijke verbetering brengt is voorschrijven van thyreoidum aangewezen, te beginnen met een dosis van 15 mg poeder. De naamgeving subklinische hypothyreoidie die nogal een voor dit omstreden symptomencomplex wordt gebruikt, is minder gelukkig. Het gaat immers juist om de klinische verschijnselen als criterium. In tegenstelling tot de typische hypothyreoidie met een verhoogde TSH is het juister om in deze gevallen van atypische hypothyreoidie te spreken.
Dosering schildklierhormoon
Het is niet voldoende om de aanbevelingen van de American Thyroid Association (21) te volgen door simpelweg de serum TSH en T4 concentratie te “normaliseren” (lab based medicine!) De meeste patiënten voelen zich pas goed met een hoog normaal FT4 en een laag normale TSH spiegel. En patiënten die nog klachten houden, ondanks adequate doses schildklierhormoon, zijn kennelijk onder gesubstitueerd. Zulke patiënten ervaren pas een gevoel van welbevinden met een licht verhoogd FT4 gehalte en een te laag of zelfs onmeetbare TSH concentratie in het serum, zoals ook aangetoond in de BMJ in 2003 (5). Deze waarneming toont overigens ex iuvantibus aan dat het onjuist is om star vast te houden aan het dogma dat normaalwaarden van TSH en FT4 in het bloed betekenen dat er geen tekort is aan schildklierhormoon.
WELKE PREPARATEN EN WELKE NIET
Omdat T3 een snel intredende maar kortdurende werking heeft en om die reden door de natuur ook slechts aangemaakt wordt naar behoefte, is toediening per os soms problematisch. Dit geldt in de eerste plaats voor een preparaat als cytomel (synthetisch T3) dat in veel gevallen tot nare bijwerkingen leidt, bijvoorbeeld tachycardie of boezenfibrilleren. Bij gebruik van schildklierextract is dit minder het geval, maar het zou gewenst zijn wanneer dit middel in een slow releasevorm beschikbaar is. Prof Krenning (Erasmus-Rotterdam) past gecombineerd T3/T4 in slow releasevorm toe om deze reden (22). Het thans veel voorgeschreven thyreoidum is verkrijgbaar bij de Wilhelmina apotheek Utrecht en de Rivierenapotheek te Amsterdam. Het wordt in Nederland geïimporteerd door Fagron (Oud Beijerland) en gefabriceerd door Biofac in Kastrup/Denemarken uit varkensschildklier van geslachte biggen. Het is in Nederland geregistreerd met een KNMP nummer 14029634. Hiervan kan iedere apotheek magistrale capsules bereiden. Helaas garandeert thyreoidum geen gelijkmatige T3 bloedspiegel hetgeen tot grote dagschommelingen kan leiden, waar sommige patiënten last van hebben. Zij kunnen zich een deel van de dag goed voelen en een deel van de dag minder goed. Uit handopsteken in de zaal blijkt dat er wel behoefte bestaat aan een slow release formule. Dit zal verder met de ter vergadering aanwezige apotheker F. Durlinger worden besproken.
Als slotopmerking geeft RL antwoord op de vaak gestelde vraag of behandeling van hypothyreoidie op de hierboven beschreven wijze al dan niet tot het gebied van de natuurgeneeskunde behoort. Hij vindt als kenmerk van deze benadering: het voorop lopen met nieuwe ontwikkelingen en het gebruik maken van natuurlijke middelen. Als vertegenwoordiger van een familie waarin veel hypothyreoidie voorkomt, is hijzelf gebruiker van thyreoidum, zelfs ondanks het feit dat hij levenslang principieel vegetariër is.
Literatuur:
- Laurberg P, Bulow Pedersen I et al, Low incidence rate of overt hypothyroidism compare with hyperthyroidism in an area with moderately low iodine intake. Tyhroid.1999 Jan; 9(1):33-8
- Barnes, Broda O., Hypothyroidism. The unsuspected Illness (boek)
Cranton E.M.: Resetting the Clock. Five Anti-Aging Hormones that Improve and Extend Life (boek).
SAN Handboek 1995, Een handboek voor diagnostiek in de eerste lijn: 133; ISBN: 90-70644-13-4 .
Toft, AD, Beckett GJ., Thyroid function tests and hypothyroidism. Measurement of serum TSH alone may not always reflect thyroid status. BMJ 2003 February 8; 326 (7384: 295-296
Narrow Individual Variations in Serum T4 and T3 in Normal Subjects: A Clue to the Understanding of Subclinical Thyroid Disease , J Clin Endocrinol & Metabol, Vol. 87, No. 3 1068-1072, 2002
Baisier WV et al, Thyroid Insufficiency. Is TSH measurement the only Diagnostic tool? J. Nutr & Envirionm Medicine (2000) 10, 105-113
- Hennemann G, Visser TJ: Thyroid hormone synthesis, plasma membrane transport and metabolism. In: Handbook of Experimental Pharmacology, Vol 128; Pharmacotherapeutics of the Thyroid Gland (Weetman AP, Grossman A, Eds). Springer, Berlin, 1997, pp 75-117.
- Burke CW, Eastman CJ. Thyroid hormones. Br Med Bull. 1974;30:93-9)
- Faber J, Faber OK, Lund B et al. Hepatic extraction and renal production of 3.3-diiodothyronine an 3.5-diiodothyronine in man. J Clin invest 1980; 941-945)
- Faber j, Busch-Soren, Rogowsky P et al. Urinary excretion of free and conjugated 3.3-diiodothyronine. J Clin Endocrinol Metab 1981; 53: 587-593)
- Eskildsen PC, Faber J,Siersbaek-Nielsen K. Renal handling of iodothyronines in acromegaly. Scan J Clin Lasb invest 1987; 47: 17-21) N
- Faber J, Siersbaeck-Nielsen K, Kirkegaard C. Renal handling of thyroxine 3.5.3. and 3.3.5- triiodothyronine and 3.3. and 3.5- diiodothyronine in man Acta Endocrinol 1987 115: 144-148)
- Faber J, Busch-Soren, Rogowskie P. et al. Urinary excretion of free and conjugated 3.3-diiodothyronine J Clin Endocrinol Metab 1981;53:587-593
- Wilson ED. Doctor’s Manuel for Wilson’s Syndrome in: Milner M, ND Wilson’s Syndrome and T3 therapy, Int J Pharm Comp, sept/okt 1999
- Ball SG, Sokolov J, Chin WW: 3, 5-Diiodo-L-thyronine (T2) has selective thyromimetic effects in vivo and in vitro
Journal of Molecular Endocrinology, 1997 - Soc Endocrinology
- Goglia F.: Biological Effects of 3,5-Diiodothyronine (T2);. Dipartimento di Scienze Biologiche ed Ambientali-Universita degli Studi del Sannio-Via Port'Arsa, 11 82100 Benevento, Italy
- Leary SC, Barton KN,.: Direct effects of 3,5,3'-triiodothyronine and 3,5-diiodothyronine on mitochondrial metabolism in the goldfish Carassius auratus. Department of Zoology, University of Guelph, Ontario, Canada.
- Escobar- Morreale HF, Escobar del Reye et al: Only the combined treatment with thyroxine and triiodothyronine ensures euthyroidism in all tissues of thyoidectomised rat. Endocrinology 1996; 137: 2490-2502
- Surks MI, Chopra IJ, Mariash CN, Nicoloff JT, Solomon DH. American Thyroid Association guidelines for use of laboratory tests in thyroid diseases. JAMA. 1990;263:1529–1532
Pollock MA , Sturrock A et al Thyroxine treatment in patients with symptoms of hypothyroidism but thyroid function tests within the reference range: Randomised double blind placebo controlled crossover trial., BMJ 2001;323:891-895
- Hennemann G. Erasmus University Medical Center, Rotterdam, The Netherlands. Docter R., Visser T.J. , Postema P.T. , Krenning E.P. Thyroxine Plus Low-Dose, Slow-Release Triiodothyronine Replacement in Hypothyroidism: Proof of Principle. Apr 2004, Vol. 14, No. 4 : 271 -275
Dit verslag is opgesteld en bewerkt door L. Kunst en geplaatst tegen de achtergrond van een wat bredere onderbouwing van de schildklierproblematiek. Hierbij is, afgezien van bovenstaande literatuur, gebruik gemaakt van de publicatie EMW/be/001 door de Nederlandse Internisten Vereeniging dd.12 jan 2007.
Back to top
Diagnose
De wereldberoemde endocrinoloog Dr. Jacques Hertoghe memoreert dat in het verleden verschillende artsen er al op gewezen hebben dat hypothyreoïdie niet werd onderkend. Tegenwoordig wordt hypothyreoidie gediagnosticeerd d.m.v. bloedtesten. Ten onrechte, volgens Dr. Hertoghe die pleit voor een diagnose op grond van lichaamstemperatuur en klinische symptomen. Een overzicht van de symptomen wordt getoond in het filmpje met de lezing van Dr. Hertoghe dat te bekijken is op
http://www.youtube.com/watch?v=Ac8IYXAJIBE&feature=related
Petitie
Consensus # 1 Internationale Schildklier Patiënt Organisatie (ITPO)
PATIËNTEN PETITIE VOOR BETERE DIAGNOSE EN KEUZE VAN BEHANDELING VOOR HYPOTHYREOÏDIE PATIËNTEN
Wij, schildklierpatiënten van over de gehele wereld, vinden dat de tijd méér dan rijp is voor de medische professie om het huidige protocol voor de behandeling van hypothyreoïdie te wijzigen.
Wij hebben eerste hand ervaring met de behandeling met synthetisch thyroxine (T4), als ook met de tekortkoming van diagnose en doseren volgens de TSH laboratorium referentie waarde.
Door het volgen van dit protocol is ons cholesterol gestegen, heeft chronische depressie ons leven gehinderd, continueerden onze chronische pijnen, werd ons haar dun, bleven wij ons koud voelen, bleven onze denkprocessen mistig, werden onze mogelijkheden om te werken en normaal te leven beperkt, onze immuunsystemen zwak en werden nog veel meer symptomen veroorzaakt wegens onderbehandeling welke onze gezondheid en welzijn hebben beïnvloed.
Desalniettemin is onze ervaring en klinische presentatie van het falen van thyroxine om onze symptomen op te heffen herhaaldelijk verworpen en ontkent door te veel artsen, die deze symptomen van hypothyreoïdie vaak wijten aan somatoforme stoornissen.
Alhoewel Synthetisch T4 werkt voor veel mensen, is het niet ideaal voor iedereen. Een gecombineerde behandeling met thyroxine en tri-joodthyronine (of triiodothyronine) (T4/T3) moet ook overwogen worden in de vorm van natuurlijk schildklier extract (de bekendste is Armour® Thyroid), welke de standaard behandeling was vóór de introductie van synthetische hormoon substitutie.
Veel patiënten die schildklier extract gebruiken rapporteren het verdwijnen van al de hierboven genoemde problemen die ontstonden tijdens de eenzijdige behandeling met thyroxine, welke te wijten zouden kunnen zijn aan het feit dat schildklier extract alle hormonen bevat die een normale schildklier produceert - T4, T3, T2, T1 en Calcitonine.
Wij bevelen de volgende richtlijnen aan m.b.t. veiligheid waar de gecombineerde behandeling met T4/T3 of schildklier extract wordt gebruikt, en in deze volgorde:
1. de patiënten met schildklier deficiëntie te controleren op lage bijnier reserve, een conditie die vaker kan voorkomen dan algemeen wordt verwacht. Patiënten met zwakke bijnieren kunnen problemen hebben met het tolereren van de benodigde dosering schildklierhormoon, en kunnen klaarblijkelijk symptomen van hyperthyreoïdie ervaren, zelfs bij lage ontoereikende doseringen. Bij andere patiënten met lage bijnier reserve kan het probleem tegenovergesteld zijn: de patiënt kan hypothyreoot
blijven op zelfs hogere doseringen schildklier hormoon. Het schildklierhormoon kan niet normaal worden opgenomen in de cellen en in plaats daarvan te hoog opbouwen in het serum, waardoor zowel de arts als de patiënt geloven dat een specifieke dosering te hoog is en de behandeling niet werkt. De oplossing voor beide problemen is behandeling van de lage cortisol conditie, vóór aanvang van de schildklier behandeling, of tegelijkertijd.
2. het gebruiken van de volgende bloedtesten als richtlijn voor de beoordeling en behandeling van hypothyreoïdie: TSH, Vrij T4, Vrij T3, TPOAb en TgAb.
3. het starten van de gecombineerde behandeling met een veilige lage dosering van een synthetische T4/T3 combinatie, of, als schildklier extract wordt voorgeschreven, dan dienen de artsen bekend te zijn met de equivalentie van deze medicatie in vergelijking met thyroxine en een behandeling starten met een toepasselijke veilige dosering, bijvoorbeeld ¼ Armour® Thyroid USP voor patiënten met lage bijnierreserve, of anders 1/2 tot 1 grain, met een bijstelling van dosering volgens klinische behoefte elke paar weken.
4. het luisteren en meer waarde hechten aan de subjectieve rapportages van patiënten m.b.t. symptoom continuering of opheffing, in plaats van het hanteren van uitslagen van bloedtesten als de enige leidraad voor doseren.
Daarnaast zijn wij er voorstander van dat medische specialisten de keuzevrijheid moeten hebben in het voorschrijven van enkel T4, gecombineerd T4/T3 of schildklier extract, zonder de woede op te lopen van de algemene gevestigde orde zoals dat in sommige landen momenteel gebeurt.
Wij bevelen ten zeerste aan dat artsen de misvattingen erkennen dat schildklier extract inconsistent, gevaarlijk, onbetrouwbaar en/of ouderwets zou zijn, en dat schildklierextract producten zoals Armour® Thyroid; Westhroid® and Nature-Throid® voldoen aan de strenge richtlijnen van de United States Pharmacopoeia (USP), en de Food and Drug Administration (FDA). Wij denken ook dat artsen een volledige anamnese moeten maken van de klinische presentatie van patiënten die de medicatie al gebruiken.
Tot slot bevelen wij ten zeerste aan dat de keuze van behandeling, of deze nu synthetisch is of natuurlijk, er een is tussen de patiënt en de arts, die daar beide een keuzevrijheid in hebben.
(Update per 1 November 2011): Voor Nederland en België zijn, naast de Amerikaanse merken schildklier hormoon, respectievelijk Thyreoïdum (Denemarken) en Erfa (Canada) verkrijgbaar. Armour Thyroid is in 2009 geherformuleerd. Voor gebruikers in Nederland die hier hinder van ondervinden zoals een allergische reactie of een terugkerende hypothyreoïdie (wegens het nieuwe bindmiddel en/of de cornstarch), is er bij Apotheek Mierlo-Hout (Helmond) ook de magistraal bereide Armour Thyroid verkrijgbaar waar geen bindmiddel aan is toegevoegd.
Samengesteld door :
Sheila Turner (Engeland) tpa-uk
Susanne König (Frankrijk) geocities.com/thyroide
Sabine Seichter (Duitsland)
Janie (Amerika) stopthethyroidmadness
Lyn Mynott (Engeland) thyroiduk
Teken hier
(klik op "hier", u gaat dan naar de Engelstalige website. U gaat naar beneden en klikt op "Sign here")
Back to top |